In welke wetten en regelingen staat dat ik met een beperking of chronische ziekte gelijk behandeld moet worden?

Dat staat in verschillende wetten en regelingen.

  • In artikel 1 van de Grondwet luidt: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’ Onder ‘op welke grond dan ook’ vallen ook handicap en ziekte. Op dit moment zijn de voorbereidingen voor aanpassing van de grondwet bezig. Als de Eerste Kamer hier voor stemt, dan zullen handicap en seksuele geaardheid toegevoegd worden aan het rijtje van gronden waarop niet gediscrimineerd mag worden.
  • De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBh/cz) verbiedt ongelijke behandeling bij werk, dienstverlening, wonen en openbaar vervoer. De wet bepaalt ook (in artikel 2) dat aanbieders van werk, dienstverlening, woonruimte of openbaar vervoer verplicht zijn ‘naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten’. Dit is verplicht, tenzij die aanpassingen een ‘onevenredige belasting’ vormen.
    Daarnaast verbiedt de wet ook intimidatie (in artikel 1a). Dat is gedrag waarmee iemand de ‘waardigheid van een persoon met een handicap of ziekte aantast’ en daarmee zorgt voor een ‘bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving’.
  • Het is strafbaar om je in het openbaar, mondeling of schriftelijk opzettelijk beledigend uit te laten over een groep mensen vanwege hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap. Ook het verspreiden van dit soort uitingen of het aanzetten tot dit soort discriminatie is strafbaar. Dat staat in het Wetboek van Strafrecht, artikel 137c – 137f.
  • Ook individuele discriminatie (dus niet van groepen mensen, maar van jou als persoon) is strafbaar, maar alleen als het gebeurt ‘in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf’. Dat staat in het Wetboek van Strafrecht, artikel 429quarter, lid 2.
  • Het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bepaalt dat de aangesloten landen (waaronder ook Nederland) verplicht zijn om discriminatie op grond van handicap te verbieden. Ook moeten de landen ervoor zorgen dat mensen met een handicap ‘op voet van gelijkheid effectieve wettelijke bescherming’ krijgen tegen discriminatie.
    Daarnaast verplicht het verdrag de aangesloten landen om ‘passende maatregelen’ te nemen, zodat er ‘redelijke aanpassingen’ beschikbaar zijn die het mogelijk maken om ‘volledig en daadwerkelijk’ mee te doen in de samenleving.