Stukje geschiedenis

Het VN-verdrag Handicap is het jongste mensenrechtenverdrag. De onderhandelingen over dit verdrag waren de snelste in de geschiedenis van de Verenigde Naties.

Het verdrag is de belangrijkste katalysator voor hoe wereldwijd gekeken wordt naar personen met een handicap. Voorheen bekeek men personen met een handicap als mensen die afhankelijk waren van liefdadigheid, medische behandeling of sociale bescherming. Het verdrag dwingt mensen om personen met een handicap te zien als volledig en gelijkwaardige deelnemers aan de samenleving. Mensen met mensenrechten.

In december 2006 heeft Nederland in New York het VN-verdrag voor de rechten van personen met een beperking in New York ondertekend. Maar een VN-verdrag geldt pas in een land, als de regering van dat land het verdrag ratificeert (goedkeurt). Voor die ratificatie heeft Nederland veel tijd genomen, bijna tien jaar.

Maar in 2016 was het dan eindelijk zo ver. De Tweede Kamer heeft op 30 januari 2016 de wetsvoorstellen voor ratificatie van het VN-verdrag aangenomen. De Eerste Kamer heeft dat vervolgens op 12 april 2016 gedaan. Daarna hebben de Nederlandse ratificatiewetten nog ter inzage gelegen bij de VN in New York. Sinds 14 juli 2016 is het verdrag ook in Nederland van kracht.

Nederland is een van de laatste landen die het verdrag geratificeerd heeft. Des te meer reden om de uitvoering van het verdrag met grote daadkracht en ambitie op te pakken.

Recht op wat

In het verdrag staan geen nieuwe rechten. Het verdrag is een uitwerking van al bestaande mensenrechten. Het verdrag is nodig omdat mensen met een beperking vaak niet automatisch toegang hebben tot deze mensenrechten. Met het verdrag zou dit makkelijker moeten gaan. Hieronder de belangrijkste rechten:

Hieronder een korte juridische toelichting:

Recht op gelijke behandeling

Art 4.1 zegt: deelnemende staten moeten waarborgen en bevorderen dat mensen met een handicap op geen enkele wijze op grond van hun handicap gediscrimineerd worden.

Art 5.3 zegt: om gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen moeten deelnemende staten maatregelen nemen om te waarborgen dat redelijke aanpassingen worden verricht.

Recht op gelijke toegang

Art 9.1 zegt dat de overheid ervoor moet zorgen dat mensen met een handicap zelfstandig kunnen leven en volledig kunnen meedoen. De overheid moet maatregelen nemen die ervoor zorgen dat mensen met een handicap op voet van gelijkheid toegang hebben tot de fysieke omgeving, vervoer, informatie en communicatie en tot andere publieke voorzieningen en diensten van overheid en bedrijfsleven. Het artikel noemt onder andere: toegang tot gebouwen, wegen, vervoer, scholen, medische voorzieningen, werkplekken, informatie, communicatie- en nooddiensten.

Recht op zelfstandig juridisch handelen

Art 12.3 zegt dat de overheid ervoor moet zorgen dat mensen met een handicap zo nodig onafhankelijke ondersteuning kunnen krijgen bij het uitoefenen van juridische handelingen (handelingsbekwaamheid).

Recht op eigen regie en participatie

Art. 19 zegt dat mensen met een handicap het gelijke recht hebben om in de maatschappij te wonen met dezelfde keuzemogelijkheden als anderen. De overheid moet doeltreffende en passende maatregelen nemen zodat mensen met een handicap volledig kunnen meedoen in de maatschappij, zonder daarbij gebonden te zijn aan een bepaalde verblijfplaats, leefregeling e.d.

Recht op mobiliteit

Art. 20 zegt dat de overheid effectieve maatregelen moet treffen om de persoonlijke mobiliteit van mensen met een handicap met de grootst mogelijke zelfstandigheid te waarborgen. Mensen met een handicap moeten zich kunnen verplaatsen op de wijze en tijdstip van hun keuze en tegen een betaalbare prijs.

Recht op inclusief onderwijs

Art 24.1 zegt dat mensen met een handicap recht hebben op onderwijs. De overheid moet zorgen voor een inclusief onderwijssysteem op alle niveaus en voorzieningen voor een leven lang leren. Doel hiervan is dat mensen met een handicap naar vermogen hun persoonlijkheid, talenten en creativiteit optimaal moeten kunnen ontwikkelen.

Recht op arbeid

Art 27.1 zegt dat mensen met een handicap, net als ieder ander, recht hebben op in vrijheid gekozen of aanvaard werk om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. De overheid moet hiervoor passende maatregelen treffen, zodat mensen met een handicap toegang hebben tot de arbeidsmarkt (ook scholing voor werk) van zowel overheid als bedrijfsleven.

Recht op een behoorlijke levensstandaard

Art 28.1 zegt dat mensen met een beperking recht hebben op een behoorlijke levensstandaard voor henzelf en hun gezinnen (incl. voldoende voeding, kleding en huisvesting).

Recht op cultuur, recreatie, vrije tijd, sport

Art 30 zegt dat mensen met een beperking, ook kinderen, net als ieder ander mee moeten kunnen doen aan het culturele leven, recreatie, vrije tijd en sport. Ze hebben recht op toegang tot sportlocaties en sportactiviteiten, televisieprogramma’s, film, theater, musea, etc. De overheid moet passende maatregelen nemen waardoor mensen met een handicap hun creatieve, artistieke en intellectuele talent kunnen ontwikkelen en gebruiken. Hierbij hebben ze recht op erkenning en ondersteuning van hun specifieke culturele en taalkundige identiteit, zoals gebarentaal en dovencultuur. De overheid moet ervoor zorgen dat mensen met een handicap handicapspecifieke sport- en recreatieactiviteiten kunnen organiseren en daaraan kunnen deelnemen. Ze hebben recht op passende middelen, instructie en training.