Recht op wat

In het verdrag staan geen nieuwe rechten. Het verdrag is een uitwerking van al bestaande mensenrechten. Het verdrag is nodig omdat mensen met een beperking vaak niet automatisch toegang hebben tot deze mensenrechten. Met het verdrag zou dit makkelijker moeten gaan. Hieronder de belangrijkste rechten:

Hieronder een korte juridische toelichting:

Recht op gelijke behandeling

Art 4.1 zegt: deelnemende staten moeten waarborgen en bevorderen dat mensen met een handicap op geen enkele wijze op grond van hun handicap gediscrimineerd worden.

Art 5.3 zegt: om gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen moeten deelnemende staten maatregelen nemen om te waarborgen dat redelijke aanpassingen worden verricht.

Recht op gelijke toegang

Art 9.1 zegt dat de overheid ervoor moet zorgen dat mensen met een handicap zelfstandig kunnen leven en volledig kunnen meedoen. De overheid moet maatregelen nemen die ervoor zorgen dat mensen met een handicap op voet van gelijkheid toegang hebben tot de fysieke omgeving, vervoer, informatie en communicatie en tot andere publieke voorzieningen en diensten van overheid en bedrijfsleven. Het artikel noemt onder andere: toegang tot gebouwen, wegen, vervoer, scholen, medische voorzieningen, werkplekken, informatie, communicatie- en nooddiensten.

Recht op zelfstandig juridisch handelen

Art 12.3 zegt dat de overheid ervoor moet zorgen dat mensen met een handicap zo nodig onafhankelijke ondersteuning kunnen krijgen bij het uitoefenen van juridische handelingen (handelingsbekwaamheid).

Recht op eigen regie en participatie

Art. 19 zegt dat mensen met een handicap het gelijke recht hebben om in de maatschappij te wonen met dezelfde keuzemogelijkheden als anderen. De overheid moet doeltreffende en passende maatregelen nemen zodat mensen met een handicap volledig kunnen meedoen in de maatschappij, zonder daarbij gebonden te zijn aan een bepaalde verblijfplaats, leefregeling e.d.

Recht op mobiliteit

Art. 20 zegt dat de overheid effectieve maatregelen moet treffen om de persoonlijke mobiliteit van mensen met een handicap met de grootst mogelijke zelfstandigheid te waarborgen. Mensen met een handicap moeten zich kunnen verplaatsen op de wijze en tijdstip van hun keuze en tegen een betaalbare prijs.

Recht op inclusief onderwijs

Art 24.1 zegt dat mensen met een handicap recht hebben op onderwijs. De overheid moet zorgen voor een inclusief onderwijssysteem op alle niveaus en voorzieningen voor een leven lang leren. Doel hiervan is dat mensen met een handicap naar vermogen hun persoonlijkheid, talenten en creativiteit optimaal moeten kunnen ontwikkelen.

Recht op arbeid

Art 27.1 zegt dat mensen met een handicap, net als ieder ander, recht hebben op in vrijheid gekozen of aanvaard werk om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. De overheid moet hiervoor passende maatregelen treffen, zodat mensen met een handicap toegang hebben tot de arbeidsmarkt (ook scholing voor werk) van zowel overheid als bedrijfsleven.

Recht op een behoorlijke levensstandaard

Art 28.1 zegt dat mensen met een beperking recht hebben op een behoorlijke levensstandaard voor henzelf en hun gezinnen (incl. voldoende voeding, kleding en huisvesting).

Recht op cultuur, recreatie, vrije tijd, sport

Art 30 zegt dat mensen met een beperking, ook kinderen, net als ieder ander mee moeten kunnen doen aan het culturele leven, recreatie, vrije tijd en sport. Ze hebben recht op toegang tot sportlocaties en sportactiviteiten, televisieprogramma’s, film, theater, musea, etc. De overheid moet passende maatregelen nemen waardoor mensen met een handicap hun creatieve, artistieke en intellectuele talent kunnen ontwikkelen en gebruiken. Hierbij hebben ze recht op erkenning en ondersteuning van hun specifieke culturele en taalkundige identiteit, zoals gebarentaal en dovencultuur. De overheid moet ervoor zorgen dat mensen met een handicap handicapspecifieke sport- en recreatieactiviteiten kunnen organiseren en daaraan kunnen deelnemen. Ze hebben recht op passende middelen, instructie en training.